Chrysolina cerealis  
Chrysolina cerealis

Regenbooggoudhaantje

 

  Nederland: Rode Lijst  1 -  op het punt van verdwijnen

Langvleugelig (Rüschkamp 1920).

(IV) VI-IX (X), in ons land waarschijnlijk een dagdier, dat reproduceert aan het eind van de zomer en herfst, zie fotoserie Christine Schmutzler-Schaub 2013 (www.youtube.com) en haar waarnemingen van larven (VIII-XI) op de Dörnberg bij Zierenberg, Kassel-Hessen (www.naturgucker.de). In de Alpen een geheel blauwe ondersoort, die actief is in de schermer (en dat geldt mogelijk ook voor ssp. megerlei (Fabricius, 1801) uit Zuidwest Europa).

In Groot-Brittannië leven de bladkevers op puinhellingen met basische bodem en vindt de paring plaats in mei en sterven de 2 à 3 jaar oude kevers in de loop van de zomer. Er worden enige tientallen eieren in de top van grasbladeren gelegd. Begrazing van schapen heeft mogelijk negatieve invloed op de populatie grootte (Snowdonia National Park 2009). De zwak metaalkleurige grijze larven (VI-X) zijn overdag aan de onderzijde van de bladeren van de waardplant te vinden, 's nachts eten zij vanaf de bovenzijde, maar ook de bloemen. Vanaf IX kruipen zowel het derde larvale stadium als de kevers in de bodem om te overwinteren. De larven vervormen in de bodem tot het vierde stadium: de onbeweeglijke gekromde voorpop en verpoppen dan tot oranje poppen (IX). In oktober zijn er in Groot-Brittannië imago's in de bodem te vinden. Dit gebeurt niet bij alle larven, zodat er larven, poppen en imago's overwinteren, hetgeen waarschijnlijk de kracht van de Britse populatie is. Ook in het aangrenzend gebied zeldzaam, alleen in de bergen algemener (-1800 m).

Leeft van Grote tijm (T. pulegioides L.), waarschijnlijk ten onrechte vaak vermeld van Wilde tijm (Thymus serpyllum L.)1, wel op andere Tijm soorten op rotsen (in Groot-Brittannië voornamelijk op Thymus polytrichus Kerner (Cox 2007), en ook van andere Lipbloemigen (Lamiaceae) vermeld, o.a. van Hertsmunt (Mentha longifolia (L.)) (Brandstetter & Kapp 1996 en zie ook Schmidt 1979); Teucrium pyrenaicum L., Clinopodium alpinum meridionale (Nyman) (Tiberghien, 2015) en Satureja montana L.  (de laatste speciaal voor ssp. mixta volgens Bourdonné, in litt. 2007).

Benisch (2010) vermeldt bij een recente vondst in Rijnland-Palts het volgende: "The xerothermophilic species prefers dry and mesoxerophytic grasslands. C. cerealis is monophagous and develops in Horse mint (Mentha longifolia)".

In onze omgeving ook zeldzaam en vooral op kalkbodem en in dorre zandige of stenige gebieden, vooral op warme hellingen en in Nederland ook fluviatiel. Veel voorkomend in de droge en warme (xerotherme) Oost-Europese grassteppe, aldaar ook op Composieten: als Bijvoet (Artemisia vulgaris L.) en distels, zelfs op gras.

 

Chrysolina cerealis Regenbooggoudhaantje

Fenologie van Chrysolina cerealis in Noordwest-Europa

204 imago exemplaren in de jaren 1829 - 2010  Bestand 2010

 

program NEV-KLASSE Vorst & Fokker 2008

 


25 maart 2015

 H O M E Goudhaantjeswebsite
De Nederlandse Goudhaantjes


This site is online since 2003